In elk van deze twaalf gebieden komen verschillende tonen voor, met frequenties die 'ongeveer' even groot zijn. Het aantal tonen binnen het octaaf kan niet nauwkeurig bepaald worden. Men is hier namelijk onder meer afhankelijk van wat nog als aparte toon gedefinieerd moet worden, van welke stemming (zie verder) en van de grens van het onderscheidingsvermogen van ons gehoor.
Men gaat soms tot 31, soms tot 35 en zelfs wel tot 110 tonen per octaaf (bijvoorbeeld bij het systeem van Riemann). Het Westers toonsysteem is de vrucht van een eeuwenlange, geleidelijke ontwikkeling. Het merendeel der namen van de verschillende in dit toonsysteem voorkomende tonen dateert uit de tijd dat het hele systeem nog slechts zeer eenvoudig was doordat er slechts zes tot acht tonen en toongebieden waren, zodat toon en toongebied identieke begrippen waren.
Uit deze vroege tijd stammen de zeven namen van wat wij nu nog altijd de zeven stamtonen noemen: a, b, c, d, e, f, g (vaak ook: la - si - do - re - mi - fa - sol). In verband met het hiervoor besprokene is het duidelijk dat op g weer a (sol weer op la) volgt. Deze beide tonen a vormen een octaaf.
Een willekeurige reeks stamtonen, oplopend van laag naar hoog (een zogenaamde stamtoonladder) kan er dus bvb. uitzien: .. d e f g a b c d e f g a b c d e f g a b c .. 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 De cijfers onder deze toonnamen zijn geheel willekeurig en werden slechts voor de duidelijkheid geplaatst. De tonen d, genummerd 1 en 8, vormen dus een octaaf, evenals de tonen d, genummerd 8 en 15. Maar ook de tonen e, genummerd 2 en 9, en 9 en 16 vormen octaven enz.
De componenten van een octaaf vertonen een opvallende gelijkenis, hoezeer zij ook in hoogte verschillen. Twee tonen c, onverschillig of zij van gelijke dan wel verschillende toonhoogte zijn, gelijken meer op elkaar dan een toon c op welke andere toon dan ook. Dit verschijnsel noemt men toonkwaliteit. Tegenover deze toonkwaliteit staat de toonkwantiteit: kwantitatief verschilt een toon c met iedere willekeurige toon d, maar dan ook met iedere willekeurige toon d evenveel.
Dus: het kwantitatieve verschil tussen de toon c nr. 7 en toon d nr. 1 is even groot als het kwantitatieve toonverschil (niet: toonhoogteverschil!) tussen de toon d nr. 7 en de toon d nr. 15. Een organist die massazang begeleidt weet dit: wanneer hij een octaaf hoger of een octaaf lager gaat spelen, verandert hij de toonkwaliteit niet: de massa blijft op precies dezelfde toonhoogte doorzingen. Ze voelt hoogstens een kleur- of klankverschil. Maar wanneer hij één toon hoger of één toon lager gaat spelen merkt iedereen het onmiddellijk. Toch is in dit laatste geval het verschil tussen c nr. 7 en d nr. 8 veel geringer dan het verschil tussen de tonen c nr. 7 en c nr. 14. We kennen nu 12 toongebieden en 7 stamtonen. Deze stamtonen bevinden zich nagenoeg in het midden van hun gelijknamig toongebied.
Hoe zijn nu de overige toongebieden tussen de ons thans bekende gerangschikt? We zien dat tussen de tonen a en b, c en d, d en e, f en g, en g en a telkens één toongebied onbezet blijft. De tonen b en c, en e en f vullen echter direct naast elkaar gelegen toongebieden. Men zegt nu dat de 'afstand tussen de tonen c en d groter is dan de afstand tussen de tonen b en c', en men spreekt in verband hiermee ook van toonafstand. Tussen e en f en tussen b en c bevindt zich een halve toonafstand, tussen de overige naast elkaar gelegen stamtonen bevindt zich een hele toonafstand.
De 'verovering' van de tot nu toe niet besproken vijf onbezette gebieden (dit zijn de huidige zwarte toetsen op het pianoklavier) gebeurde slechts zeer geleidelijk (ca. 1000 tot 1400). Het eerste gebied dat bezet raakte was dat tussen de a en de b. De toon die daarin kwam voelde, beschouwde, hoorde en waardeerde men als een toon die van de - een halve toon hoger gelegen - b was afgeleid. Men noemde deze toon de b mollum (zachte b), in tegenstelling tot de oorspronkelijke b, die men de b durum (harde b) noemde. Uit de namen b durum en b mollum zijn de in Duitsland gebruikelijke namen Dur en Moll voor majeur en mineur ontstaan.
Men noteerde de b mollum als een ronde b en b durum als een vierkant teken; uit deze tekens zijn later ons molteken en ons herstellingsteken ontstaan. Op dezelfde manier ontstonden naderhand andere, nieuwere toongebieden. Naast de e bijvoorbeeld ontstond door afleiding een verlaagde e, die het toongebied tussen de d en de e bezette. Er werden ook tonen door verhoging afgeleid, zó dat de nieuwgevonden tonen nog onbezette plaatsen konden vullen: uit de toon f leidde men een verhoogde f af die het gebied tussen f en g kon bezetten. De naamgeving van al deze tonen werd spoedig een probleem. In verschillende landen kwam men tot diverse, vaak sterk afwijkende oplossingen.
In de noordelijke Nederlanden noemde men de tonen die van een stamtoon waren afgeleid naar die stamtoon. Een toon die door verhoging van een stamtoon is afgeleid, krijgt de naam van die stamtoon + is, bvb. gis, cis.(spreek uit: gies, cies.). Een toon die door verlaging van een stamtoon is afgeleid, krijgt de naam van die stamtoon + s of es, bvb. es, ces, des. De b mollum noemt men volgens deze naamgeving dus bes. Cis, dis, fis, gis en ais zijn de afgeleide tonen die de oorspronkelijk 5 onbezette toongebieden vullen, zoals deze ontstaan door verhoging van de stamtonen c, d, f, g en a. Des, es, ges, as en bes zijn ontstaan door verlaging van stamtonen d, e, g, a en b. Zij vullen dezelfde vijf toongebieden. Cis en des, dis en es, fis en ges, gis en as, ais en bes moeten dus samen één toongebied delen.
Nochtans zullen we verder zien dat bvb. cis en des, die hetzelfde toongebied bezetten niet gelijk zijn en bijgevolg een verschillende frequentie hebben! De verlaagde f (fes) bevindt zich in het toongebied van de stamtoon e; de ces bevindt zich in het toongebied van de stamtoon b; de verhoogde e (eis) bevindt zich in het toongebied van de stamtoon f; de bis bevindt zich in het gebied van de stamtoon c. Ook van afgeleide tonen kunnen eventueel nog weer nieuwere tonen worden afgeleid. Sedert 1650 komt dit in de muziek meer en meer voor. Uit cis, dis, fis, gis en ais ontstaan door een tweede verhoging respectievelijk cisis, disis, fisis, gisis en aisis. Dergelijke dubbele verhogingen en dubbele verlagingen bevinden zich in de toongebieden van de stamtonen, maar zijn nochtans ook weer niet aan deze stamtonen gelijk.
In het gebied van de stamtoon c bevindt zich deses, in het gebied van de stamtoon d bevinden zich cisis en eses enz. Tonen als cisis, d en eses, die tezamen in één toongebied thuishoren noemt men enharmonisch gelijke tonen.
Enharmoniseren is het vervangen van een toon door een andere toon uit hetzelfde toongebied. De toetsen van instrumenten als piano, orgel, klavecimbel enz. symboliseren dus niet de tonen maar wel de toongebieden, m.a.w. één toets doet dienst voor verschillende tonen. Men stemt deze instrumenten zodanig dat de tonen die zij laten horen redelijke compromissen zijn met de tonen die zij zouden moeten laten horen. Men noemt deze stemming de gelijkzwevende temperatuur, ook wel de evenredigzwevende temperatuur.
Het is duidelijk dat in de evenredigzwevende temperatuur geen enkele toon ten opzichte van de ander geheel zuiver is. De afwijkingen zijn over het algemeen echter niet van die aard dat zij in normale gevallen als storend worden ervaren.
Diatonisch en chromatisch
Eerder zagen wij hoe de afstand tussen de tonen e en f een halve toon bedroeg. Verder zagen we dat de toon e verhoogd kon worden tot eis. Deze eis ligt in hetzelfde toongebied als de toon f. Is de afstand e-eis, net als de afstand e-f, nu ook een halve toon te noemen? Het antwoord is: ja. We weten echter dat de verschillende tonen binnen één toongebied niet aan elkaar gelijk zijn (= niet even hoog). De halve toon e-f zal bijgevolg ook niet even ruim zijn als de halve toon e-eis. In verband hiermee onderscheidt men diatonische halve tonen en chromatische halve tonen. De diatonische halve tonen bevinden zich tussen twee stamtonen, al dan niet in afgeleide vorm, bvb. e-eis, bes-ces, cis-d, cisis-dis. Men herkent diatonische halve tonen aan de beginletters, die verschillende zijn (ze liggen naast elkaar in het alfabet). De chromatische halve tonen bevinden zich tussen een stamtoon en een van die stamtoon afgeleide toon, of tussen twee van één stamtoon afgeleide tonen, bvb. deses-des, des-d, d-dis, dis-disis. Chromatische tonen herkent men aan de zelfde beginletters
Het toonsysteem van de Westerse muziek berust op een verdeling van het octaaf in twaalf even 'grote' toongebieden (niet: tonen!).


